Beantwoording vragen muskusrattenvisie 2017-2020

Context

Mevrouw Bleyie van de partij voor de Dieren heeft schriftelijk een aantal vragen gesteld voorafgaand aan de commissie VGW d.d. 7 juni. Een aantal vragen van deze vragen zijn

daar ook mondeling gesteld, en ook al in die vergadering beantwoord.

Vraag 1:

Hoe vaak is er in de afgelopen 40 jaar melding gedaan aan de Minister (van Infrastructuur en Milieu of diens voorganger) conform Waterwet Artikel 2.12 lid 5 (of diens voorganger) van een dermate groot veiligheidsrisico (overstroming of doorbraak van een waterkering, dijk of ander object) dat dit gemeld diende te worden?

Vraag 2 :

Hoe vaak was er bij deze meldingen sprake van een (aanzienlijke) bijdrage door muskusratten aan de situatie die aanleiding gaf tot het doen van een melding aan de Minister?

Antwoord 1 & 2:

Waterwetartikel 2.12 gaat specifiek over de periodieke toetsing van de primaire waterkeringen. Die toetsing vindt sinds 1999 met een bepaald interval plaats; thans is dat om de 12 jaar. Hierin wordt getoetst op sterkte volgens een wettelijk voorschrift. 

In die voorschriften staat aan welke technische parameters de waterkeringen moeten voldoen. Hierbij kunt u denken aan een bepaalde breedte of hoogte (die uit de berekeningen voorkomt). Die sterkte moet de waterkering hebben en houden. Om die sterkte te behouden moet er beheerd worden door de keringbeheerder: bijvoorbeeld de grasmat maaien, scheuren in asfalt of grondlichaam van de kering dichten, en verouderende onderdelen vervangen. Muskusrattenbeheer valt in diezelfde categorie: het beheer ervan is schade beperkend/voorkomend. 
Muskusrattenbeheer (graafschades) is dus geen technische parameter waarop getoetst wordt en waarover aan de minister dus ook niet gerapporteerd dient te worden in de periodieke toetsrapportages.

Als de wettelijk vastgelegde norm niet wordt gehaald dan wordt daarover gerapporteerd aan de minister (ook als die wel gehaald wordt: alle toetsresultaten worden gedeeld). Dat is het geval geweest in de eerste (1999) en tweede (2005) en derde toetsronde (2011). De meldingen/toetsrapportages zijn de aanleiding geweest voor opname in het hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) en de daarop volgende versterking van bv Noordwijk, Katwijk, Gouda en de POV centraal-Holland.

Vraag 3 :

Hoe vaak is er in de afgelopen 40 jaar een dijkdoorbraak of overstroming geweest in het beheergebied van Rijnland? En welke rol heeft de aanwezigheid van muskusratten een al dan niet bepalende rol gespeeld in elk van deze dijkdoorbraken of overstromingen?

Antwoord:

Er zijn gelukkig geen ongeplande dijkdoorbraken geweest in het beheergebied van Rijnland in de afgelopen 40 jaar.

Vraag 4 :

Wordt in het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) specifiek rekening gehouden met de risico’s die verbonden zijn aan graverij door muskusratten en/of andere gravers? Zo ja, welke maatregelen worden er vanuit het HWBP genomen om de veiligheidsrisico’s als gevolg van graverij door dieren in te dammen? Zo nee, waarom wordt in het huidige beleid dan wél vooral ingezet op bestrijding van muskusratten en in de nieuwe visie zelfs op volledige uitroeiing, als vanuit het HWBP hier geen specifieke aandacht voor is (met andere woorden, hoe groot is het veiligheidsrisico dat muskusratten met zich meebrengt dan precies)?

Antwoord:

Het HWBP is een programma waarin Rijk en waterschappen op nationaal niveau samenwerken om afgekeurde primaire keringen te versterken. Hierin wordt de urgentie van versterking vastgesteld, en wordt doelmatige besteding van de gelden die hiervoor beschikbaar gesteld worden vooraf getoetst. Er is geen relatie met muskusrattenbeheer omdat graverij van muskusratten valt onder regulier beheer en onderhoud van de keringen, en niet tot de sterkte parameters behoort waarop getoetst wordt.

Rijnland heeft per 1-1-2017 nog 48 kilometer primaire kering. Rijnland heeft ook ruim 1200km regionale keringen. Zonder bestrijding kunnen er grote schades ontstaan met dito gevolgen en daarvoor is de zorgplicht in de Waterwet en Waterschapswet geregeld.

In 2006 is al geconcludeerd dat de veiligheid van een dijk door graverij afneemt met een factor 2 tot 10. (hij kan simpel gezegd niet de waterstand keren die hij hoort te kunnen keren; bijvoorbeeld niet meer de hoogwaterstand die eens in 500 jaar voorkomt maar een minder extreme hoogwaterstand die gemiddeld eens in de 250 of 50 jaar kan voorkomen).

Vraag 5:

In welke mate (percentage) is het huidige muskusrattenbeheer beleid gericht op voorkomen van onveilige situaties bij waterstaatswerken in het kader van de Waterwet en in welke mate gericht op andere locaties waar geen sprake is van een direct veiligheidsrisico?

Antwoord:

De memorie van toelichting bij de Waterwet hierover spreekt eerst  over zorgplicht voor “het watersysteem” wat later vertaald wordt naar het “waterstaatswerk” omdat waterkeringen (droge hoge delen), in de beleving van mensen niet zo snel tot het watersysteem gerekend wordt. De definities zijn als volgt vastgelegd in de waterwet (artikel 1, 1e lid):

waterstaatswerk: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk;
watersysteem: samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken;

De memorie geeft aan “dat bestrijding doelmatig dient te zijn vanuit het oogpunt van bescherming van bijvoorbeeld waterkeringen, kaden en oevers”. Bestrijding vindt dan ook plaats bij de waterkeringen en watergangen. Aan de zorgplicht wordt invulling gegeven door indien nodig ook buiten de grenzen van de waterstaatswerken te beheren. Hiermee wordt voorkomen dat er (grote) populaties ontstaan die uitzwermen naar de waterstaatswerken. Bestrijding hoeft juridisch gezien ook niet plaats te vinden binnen de grenzen van het waterstaatswerk, al is dat natuurlijk veelal het geval.

Een onderscheid tussen risicovolle en minder risicovolle locaties wordt bewust niet gemaakt: de strategie is (en was) vlakdekkend en jaarrond bestrijden zonder onderscheid. Hiermee wordt voorkomen dat er gebieden ontstaan waar de populatie snel kan groeien (haarden ontstaan), en waardoor een (verdere) verspreiding van muskusratten ontstaat. In de visie wordt de onderbouwing van die keuze uitgelegd op pagina 6 (onderste alinea en kader).

Vraag 6:

Op hoeveel en welke locaties (dijken, kaden, kunstwerken, et cetera) en op welke wijze wordt door Waterschap Rijnland uitvoering gegeven aan Waterwet Artikel 3.2a “Het waterschap draagt zo goed mogelijk zorg voor het voorkomen van schade aan waterstaatswerken veroorzaakt door muskus- en beverratten” anders dan door het doden van muskusratten? Zijn er bijvoorbeeld locaties voorzien van preventieve maatregelen of objectbescherming en zo ja welke?

Antwoord:

In polder Oudendijk is door Rijnland een proef uitgevoerd om te kijken in welke mate het technisch mogelijk is om graafwerende maatregelen mee te laten koppelen met een dijkversterking. Dit gaat om 3 proefvakken van elk circa 100 meter. Hierover is de VV in 2015 geïnformeerd: de proef heeft vanwege de beperkte schaalgrootte en beperkte scope geen antwoorden opgeleverd over een groter toepassingsbereik. Het initiatief voor opzetten van verder en grootschaliger onderzoek ligt bij de commissie MRB van de UvW.

Verder zijn er geen preventieve maatregelen getroffen om (bewust) muskusratten te weren uit waterstaatswerken.

Vraag 7:

Uitgaande van de berekening van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) (zie http://www.hdsr.nl/muskusrattenbeheer/veiligheid-voorop/preventieve/) dat het aanbrengen van preventieve maatregelen in geheel Nederland ongeveer 3,5 miljard euro kost, is het DB dan bereid om naast ‘complete verwijdering’ van alle muskusratten in geheel Nederland ook de optie van landelijk preventieve maatregelen nemen op te nemen als onderzoeksdoel in de voorliggende visie? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Nee, gezien het verwachte kostenplaatje is het college van mening dat opnemen in de onderzoeksagenda niet noodzakelijk is.

Op de website waar u naar verwijst wordt de berekening zelf niet gemaakt maar worden enkele kentallen genoemd. De ordegrootte (meerdere miljarden) van uw eigen berekening ligt ook in onze lijn der verwachtingen (maar gaan alleen over waterkeringen)

In ons antwoord op uw bestuursvragen van juni 2015 (kenmerk 15.048199), geven wij aan dat het uitvoeren van de preventieve maatregelen vooralsnog niet zinvol wordt geacht. In de landelijke veldproef en de proef van Rijnland (zie vorige vraag) is geconcludeerd dat er onvoldoende bekend is over effectiviteit van bepaalde maatregelen en beheerproblemen en onderhoudskosten op termijn. Daarnaast is toen uitgesproken dat het geen kostenbesparing zal opleveren maar juist een enorme extra investering vergt. Daarnaast zal de graverij zich blijven voordoen buiten de waterkeringen, met de overlast van dien voor andere delen van het watersysteem.

Vraag 8:

Is het DB bereid om de met preventieve maatregelen gemoeide kosten te verhalen op de Minister onder Waterwet Artikel 7.22a lid 2 punt a en b en/of Waterwet Artikel 7.22d lid 1 en/of 2, beide vallende onder het Deltafonds, aangezien Waterwet Artikel 3.2a specifiek gericht is op de in deze onder het Deltafonds gedekte activiteiten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

In principe is het muskusrattenbeheer een reguliere taak waarvoor de watersysteemheffing bedoeld is: zo is dat ook expliciet in de memorie van toelichting op de waterwet opgenomen. Zowel de huidige bestrijding als eventuele graafwerende maatregelen moeten hieruit bekostigd worden en valt het niet onder de reikwijdte van het Deltafonds.

Het Deltafonds (tot 2030) bekostigt de maatregelen die nu in bijbehorend Deltaplan &-programma zijn opgenomen. Alternatieven voor muskusrattenbeheer zijn daar nu geen onderdeel van dus zal het niet in aanmerking komen voor financiering.

Vraag 9:

Wat zijn de lange termijn gevolgen voor de ‘beheerders’ van muskusratten in relatie tot de gewenste (her)introductie van de bever, en van andere gravers (mollen, konijnen, …) indien er geen preventieve maatregelen genomen worden en alleen de muskusrat volledig uitgeroeid wordt? Kan het bijvoorbeeld zo zijn dat een groot deel van de muskusratten beheerders in dienst moeten blijven om andere gravers te beheren?

Antwoord:

Beheer is nu op specifieke invasieve exoten/plaagsoorten gericht waarvan de taak in de wet is geregeld. Uitroeiing van de muskusratten (en beverratten) zal betekenen dat die functie als zodanig niet langer zal bestaan, en dat werknemers zich met andere taken bezig zullen houden. Beheer van andere graafschade-veroorzakers is (nu) geen wettelijke taak immers. Met hun gebiedskennis en kennis van het watersysteem kunnen de beheerders waarschijnlijk een andere rol vervullen bij/voor de waterschappen.

Vraag 10:

Is het DB het met onze fractie eens dat dit tot een tunnelvisie leidt en daarmee andere resultaten van de Veldproef uitsluit, mede aangezien de nieuwe visie voor de periode 2017- 2020 zou gaan gelden, terwijl de complete resultaten van Veldproef in 2018 verwacht worden? Zo nee, waarom niet? Graag een onderbouwd antwoord.

Antwoord:

Er is volgens het college zeker geen sprake van tunnelvisie: Er wordt nadrukkelijk gesproken over verkenning van “complete removal”, en niet de uitvoering daarvan.

Wat wij met deze visie voorstaan is voorzetting van de huidige bestrijding (met zoveel mogelijk dierenleed beperken, ruimte voor innovatie, en inzet op kwaliteit van de medewerker). In dat opzicht is er geen wezenlijke aanpassing van de strategie, maar is het nog steeds het “onder controle houden”. Dit is ook in lijn met wat de commissie MRB concludeert  bij de veldproef, namelijk dat “de bestaande strategie van landsdekkend en jaarrond bestrijding gehandhaafd moet worden en dat die inzet bijdraagt om uiteindelijk elke bestrijdingsstrategie te kunnen kiezen”.


De aanbeveling die u aanhaalt gaat over grote koerswijzigingen die nu afgeraden worden (dus nu al keuze voor bv objectbestrijding of “complete removal”). Die keuze maken wij dus nu zeker niet, maar we willen wel “complete removal” verder verkennen.

Op pagina 8 van de visie is expliciet aangeven dat de definitieve resultaten van de veldproef aanleiding kunnen zijn om de strategie en visie aan te passen.

Vraag 11:

In 2017 wordt volgens de nota en de onderliggende visie een kostenreductie van 4% behaald. De fractie van de Partij voor de Dieren ontvangt graag een onderbouwde, gespecificeerde en gedetailleerde doorrekening waar deze verwachte kostenreductie op gebaseerd is. Hierbij geven we mee dat een term als ‘efficiency besparingen’ niet als onderbouwend gezien wordt.

Antwoord:

De begroting voor 2017 is 4% lager dan die van 2016. De onderbouwing daarvan vindt u in de bijlage (bijlage begroting 2017)

Vraag 12:
Uit de evaluatie van de lopende samenwerkingsovereenkomst blijkt dat zowel vangsten als schades geregistreerd worden, waarbij gesteld wordt dat “schade exacter en op x,y coördinaten geregistreerd” worden. In de evaluatie staan echter alleen cijfers over vangsten, maar geen cijfers over schade. Hoeveel schade gevallen zijn er gedurende de looptijd van de huidige samenwerking geregistreerd, binnen Rijnland gebied, en binnen het gehele beheergebied van het samenwerkingsverband? En tot welke kosten heeft dit geleid om deze schades
a) te laten repareren op kosten van Rijnland, dan wel
b) te compenseren aan derden (graag separaat benoemen)?

Antwoord:

In de evaluaties (en jaarverslagen) is aangegeven dat er gedurende de looptijd overgestapt is op een andere manier van schaderegistratie. Vanaf 2014 wordt gewerkt met het huidige systeem en wordt via de app de registratie afgehandeld.

Er zijn nog geen exacte getallen voorhanden (er staan in Rijnland enkele duizenden vangmiddelen opgesteld bij de schadelocaties), maar die zijn opgevraagd bij MRB en zullen nog met u gedeeld worden.

Deze getallen geven een minimum aan schades: schade worden niet alleen door MRB gemeld, maar ook door eigen beheerders. Daarnaast zijn niet alle schades (meer) te herleiden tot muskusrattengraverij.

Deze onderhoudskosten (voor herstel) van keringen bedragen voor Rijnland jaarlijks tussen de 3 a 400.000,- euro. Bij HDSR is dat vergelijkbaar.

Vraag 13:

Om wat voor soort schades ging het? En waren er gevallen van schade bij waarbij de veiligheid van mensen of dieren in gevaar kwam, en zo ja, in welke mate? En waren er schades bij die tot een doorbraak van een primaire of secundaire waterkering hadden kunnen leiden?

Antwoord:

Het betreft een breed scala van graafschades; zoals ook in de veldproef aangegeven bestaan er grote en kleine schades, en zijn die in meer of minder mate hinderlijk voor een goed gebruik van het object waarin ze zich bevinden. Risico’s voor mens en dier zijn altijd aanwezig: het gaat immers om kuilen, graafgangen, verzakkingen, waarvan een deel pas zich openbaart als ze belast (betreden/bereden) worden. Zoals u ook in  de tussenrapportage van de veldproef kunt zien (bv de foto op pagina VI van de samenvatting) kunnen de graafschades aanzienlijk omvang hebben; zeker in regionale keringen met beperkte kruinbreedtes is dat altijd een extra risico.

Vraag 14:

Op pagina 4 van de visie staat dat diervriendelijkheid hoog in het vaandel staat van de waterschappen. Kan het DB uitleg geven wat deze diervriendelijkheid inhoudt? Deze dieren (en legio andere dieren) komen om door verdrinking. Ik zie daar niets diervriendelijks aan.

Antwoord:

Op pagina 5 van de visie staat aangegeven wat wij nastreven: dierenleed zoveel mogelijk voorkomen door effectieve (doelsoort gerichte) vallen, een minimum aan bijvangsten en een zo klein mogelijk te bestrijden populatie muskusratten.

Vraag 15:

Waargenomen schade aan (primaire) waterkeringen wordt in de meeste gevallen snel hersteld (beheer & onderhoud). Zodoende komt het in de praktijk normaliter niet voor dat gedurende een hoogwaterperiode zichtbare schade aan de waterkering, welke een evidente bedreiging van de veiligheid vormt, nog aanwezig is.
Kan het DB een onderbouwing geven van de nut & noodzaak van muskusratten-bestrijding gezien bovenstaande conclusie?

Antwoord:

U geeft aan dat adequaat herstel van schade (beheer en onderhoud) op kwetsbare locaties er voor zorgt dat er op dat kritieke momenten (hoge waterstanden) geen onveilige situaties ontstaan.

Het rapport waaruit u citeert geeft voorts aan dat “het denkbaar is dat zonder dergelijk tijdig herstel meer en omvangrijkere schades optreden”.

Dankzij muskusrattenbeheer blijven de schades dus beperkt in aantal en omvang, en kan het herstel tijdig plaatsvinden. Bij meer en grotere schades is het niet zeker of  dan ook adequaat beheerd kan worden. Vandaar dat het een voorzorgsprincipe geldt om graverij te voorkomen.

Vraag 16:

In deel 1 van de tussenrapportage wordt op pagina 35 ingegaan op de schade die de muskusratten veroorzaken. De tussenrapportage meldt dat schades doorgaans gering zijn en komt ook nog met een interessante hypothese namelijk dat schades pas echt schades gaan worden als de burchten worden verlaten en niet meer onderhouden worden door de muskusrat. Verder wordt uit de veldproef duidelijk dat de schades waarschijnlijk veel vaker onopgemerkt blijven dan tot dusverre werd aangenomen. Dat kan vanuit veiligheidsoogpunt alarmerend zijn maar rechtvaardigt tevens de vraag waar doen we het dan voor en loont het vanuit veiligheidsoverwegingen niet meer de moeite ons in te spannen om de schades op te sporen en te herstellen? Dat brengt me bij de vraag: is het binnen Rijnland bekend wat op jaarbasis wordt uitgegeven aan het herstellen van de schade die door muskusratten wordt veroorzaakt? Wij zijn benieuwd hoe zich dat verhoudt tot de jaarlijkse som van 500.000,- euro die de bestrijding ons kost.

Antwoord:

De bijdrage van Rijnland aan muskusrattenbestrijding bedraagt in 2017 €2.076.852, Voor onderhoud aan de keringen staat jaarlijks een bedrag van € 300.000,- a 400.000,- begroot.

Van bovenstaande jaarlijkse bijdrage ten behoeve MRB wordt het hele vangstproces georganiseerd: niet alleen het vangen maar juist het tijdrovende opsporen van schades: de vangmiddelen worden immers juist daar ingezet. Deze inspectiewerkzaamheden zullen altijd uitgevoerd moeten worden. De uren van eigen medewerkers die in de inspectie en onderhoud van de keringen zitten, zijn niet opgenomen in het onderhoudsbudget.

De veldproef geeft ook aan dat er vooralsnog geen geschikte methoden zijn om de “onopgemerkte” schades eenvoudig op te sporen (d.m.v. technische middelen).

Vraag 17:
Veel jongen (tussen de tachtig en negentig procent) redden de eerste winter niet. Het zijn juist deze jongen die gevangen (lees: verdronken) worden. Deze jongen zouden dus anders op een andere manier de dood vinden c.q. hebben gevonden. Bestrijding van deze dieren is mijns inziens dan ook zinloos. Hoe is het mogelijk dat in de hele visie niets terug te lezen is over preventieve maatregelen ter voorkoming van graverij. Waar zijn de innovatieve ideeën. Er zijn zenders aangebracht op muskusratten. Is het dan niet mogelijk de vrouwtjes te vangen en deze immunocontraceptie toe te dienen? Preventieve maatregelen die niet of beperkt aanwezig waren of bekend zijn in Nederland zijn mijns inziens geen excuus.

Antwoord:

Op pagina 8 van de visie wordt kort ingegaan op de (on)mogelijkheden van preventieve maatregelen: deze zijn landelijk onderzocht maar vooralsnog zijn er geen geschikte en acceptabel preventieve maatregelen bekend zijn. Als die zich wel aandienen dan zullen die natuurlijk overwogen worden zoals aangegeven in de sideletter van ons coalitieakkoord.

Vraag 18:

Bij een kadeconstructie met een stalen damwand is geen schade aangetroffen. Is het DB bereid de mogelijkheden te onderzoeken ten aanzien van het plaatsen van stalen damwanden daar waar dat mogelijk is? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Stalen damwanden zijn verre van ideaal vanuit beheer en onderhoud van de kering, al zijn ze, indien goed aangelegd, zeker graafwerend. De (kale) aanlegkosten bedragen 1,5 miljoen per kilometer damwand. Bovendien is onderhoud en inspectie van zulke constructies vele malen duurder en lastiger dan een reguliere kade, en is de eventuele toekomstige aanpassingen ervan moeilijk (ook i.c.m. ander infrastructuur/medegebruik).

Rijnland heeft ruim 1200 km aan keringen. Alles werend maken kost dan 1,8 miljard aan aanleg kosten (volgens eenzelfde eenvoudige berekening als onder uw vraag 7). Dat is onbetaalbaar.

Ook op kleinere schaal is een stalen damwand altijd een laatste (dure) redmiddel wat bij de (reguliere) kade versterkingen liever niet gebruikt wordt; Die afweging wordt per project gemaakt. Het belemmerd grondwaterstromingen en vormt ook een fysieke belemmering voor flora en fauna. 

Vraag 19:

Op blz 51 van de tussenrapportage staat zoals gezegd dat de omvang van de zichtbare schades veelal gering is. Met regulier onderhoud worden schades soms weer hersteld of onvindbaar. Een vraag in relatie tot de economische consequenties is dus hoeveel vaker extra onderhoud noodzakelijk is als de muskusrat niet meer bestreden zou worden.

Antwoord:

In de tussenrapportage van de landelijke veldproef wordt dezelfde vraag geopperd als handvat voor vervolgonderzoek,  alhoewel niet in de context van niet-meer-bestrijden.  Reden dat die vraag daar gesteld wordt is dat er met alle verzamelde kennis in de landelijke veldproef geen antwoord op te geven valt.  

Het college kan hier dus ook geen concrete uitspraak over doen.

Vraag 20:

Op blz. 56 van de tussenrapportage staat dat  muskusratten in Finland geen problemen veroorzaken ondanks dat ze daar wel zijn. Is het DB bereid om te onderzoeken waarom dit zo is en wat men in Finland anders (beter) doet dan in Nederland?

Antwoord:

Finland is qua waterbeheer absoluut niet vergelijkbaar met Nederland. Er zijn geen onder de zeespiegel gelegen delen met miljarden aan investeringen daarin die beschermd worden door vele honderden kilometers kwetsbare waterkeringen. Zij zullen graverij dus niet op dezelfde manier ervaren als wij.

Vraag 21:

Is het DB bereid om behandeling van de visie en daaraan verbonden samenwerkingsovereenkomst, gezien de onomkeerbare en verstrekkende gevolgen die de lange termijn ambitie heeft op de muskusratten populatie in Nederland, in het Algemeen Bestuur uit te stellen totdat er een beeldvormende sessie geweest is met experts vanuit verschillende disciplines, zodat de Algemeen Bestuur leden tot een geïnformeerde besluitvorming kunnen komen? Zo ja, neemt het DB dan het voortouw om een beeldvormende sessie te organiseren en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Vraag 22:

Is het DB het met onze fractie eens dat de totstandkoming van een nieuwe visie/nota rondom MRB (mede) een verantwoordelijkheid is van het AB? Zo ja, op welke wijze gaat het DB gelegenheid geven aan het AB om deze verantwoordelijkheid op te pakken?

Antwoord 21 & 22:

Het college vindt deze visie dusdanig belangrijk dat wij het ter besluitvorming voorleggen aan de VV (in de commissie VGW op 7 juni en de VV op 21 juni); in het samenwerkingsverband doen niet alle deelnemers dat: er zijn ook waterschappen die er voor hebben gekozen om de visie door het dagelijks bestuur vast te laten stellen. Bij vier van de andere deelnemende waterschappen is deze visie reeds vastgesteld.

Vanaf afgelopen september 2016 is de VV bij deze visie betrokken:

In september 2016 is er een brede bijeenkomst geweest voor de Algemeen Besturen van de deelnemende waterschappen aan MRB-WNL. Doel van deze bijeenkomst was het bespreken van dilemma’s, en ophalen van de wensen van de besturen die als input kon dienen voor de visie. De uitkomsten van die bijeenkomst zijn in december gedeeld met de VV. Op de plannings-agenda van de VV stond het onderwerp al geagendeerd voor 2017.