Agendapunt visie muskusrattenbestrijding VV d.d. 20 juni 2017

Allereerst wil ik mijn teleurstelling uitspreken over het feit dat ik op 20 juni jl. pas de antwoorden op mijn bestuursvragen mocht ontvangen. Dit nadat ik bij bestuursondersteuning had gevraagd de besluitvorming aan te houden vanwege het ontbreken van de antwoorden. Het is mij dan ook niet gelukt mij adequaat voor te bereiden op dit onderwerp. Dit is zorgwekkend en wederom  een teleurstelling, aangezien dit zo een belangrijk onderwerp betreft.

De beantwoording van mijn bestuursvragen hebben bij mij nieuwe vragen opgeroepen, aangezien veel van deze antwoorden niet bevredigend zijn.

Als bijvoorbeeld gevraagd wordt om wat voor schades het gaat en of er gevaar voor mens en dier ontstaat en of deze schades tot een doorbraak van een primaire of secundaire kering kan leiden, dan is het antwoord dat de schades ‘hinderlijk’ zijn voor een goed gebruik van het object waarin ze zich bevinden. ‘Hinderlijk’ …vanwege een hinderlijke schade passen wij genocide toe op een diersoort door deze volledig uit te willen roeien. Anno 2017 kunnen wij inmiddels naar Mars, maar we hebben niet de capaciteit en creativiteit om preventieve maatregelen te bedenken, zodat we ‘hinderlijke’ schades kunnen voorkomen.

De visie zegt dat diervriendelijkheid hoog in het vaandel staat van de waterschappen. Ik heb gevraagd wat deze zogenaamde diervriendelijkheid inhoudt, aangezien ik met de beste wil van de wereld de diervriendelijkheid niet heb kunnen ontdekken. Als antwoord kreeg ik de mededeling dat dierenleed zoveel mogelijk wordt voorkomen door een effectieve doelsoort gerichte val met een minimum aan bijvangsten. Als ik het goed begrijp betekent dit dus dat nu alleen de muskusrat zelf omkomt door verdrinking en dat het college dat als diervriendelijk bestempelt. Mijns inziens is dat een contradictio in terminis. Diervriendelijk verdrinken… Waar is de innovatie, waar is de wil en het respect naar het dier toe om te zoeken naar daadwerkelijk diervriendelijke alternatieven!

Vraag aan de portefeuillehouder is waarom er zo’n haast is met het vaststellen van deze visie. Eén van de aanbevelingen in de visie is om te overwegen het doel van de bestrijding bij te stellen van ‘controle’ naar ‘complete verwijdering’. Er lopen echter nog een tweetal deelstudies, o.a. die aan objectbescherming, die het verdienen om in samenhang met de hier gepresenteerde bevindingen gewogen te worden. Daarom is het zinvol om te wachten met het beslissen over het eventueel aanpassen van beleid of strategie tot deze studies zijn afgerond.

Nog een vraag aan de portefeuillehouder is waarom Rijnland voor zo’n belangrijke visie geen stakeholders betrokken heeft bij het proces. Rijnland beweert diervriendelijkheid hoog in het vaandel te hebben staan, maar verzuimt vervolgens dierenwelzijnsorganisaties bij het proces te betrekken. Rijnland houdt zich dan ook niet aan het eigen beleid v.w.b. het van buiten naar binnen werken.