Aanvullende vragen visie muskusrattenbestrijding 2017-2020

Vragen n.a.v. beantwoording vragen PvdD fractie over de visie muskusrattenbestrijding

Datum beantwoording

Indienend VV-lid

Mw. Ramona Bleyie, PvdD

Toelichting

Naar aanleiding van de beantwoording van de bestuursvragen welke onze fractie gesteld heeft ten aanzien van de visie muskusrattenbestrijding 2017-2020, zou ik graag nog enkele aanvullende vragen stellen.

Hoe vaak is er in de afgelopen 40 jaar een dijkdoorbraak of overstroming geweest in het beheergebied van Rijnland? En welke rol heeft de aanwezigheid van muskusratten een al dan niet bepalende rol gespeeld in elk van deze dijkdoorbraken of overstromingen?

Antwoord:

Er zijn gelukkig geen ongeplande dijkdoorbraken geweest in het beheergebied van Rijnland in de afgelopen 40 jaar.

Aanvullende vraag 1:

Als in de afgelopen 40 jaar geen ongeplande dijkdoorbraken zijn geweest, kunt u mij dan de noodzaak van de wrede muskusrattenbestrijding uitleggen? 30 tot 40 jaar geleden was de populatie muskusratten vele malen groter dan nu.

Wordt in het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) specifiek rekening gehouden met de risico’s die verbonden zijn aan graverij door muskusratten en/of andere gravers? Zo ja, welke maatregelen worden er vanuit het HWBP genomen om de veiligheidsrisico’s als gevolg van graverij door dieren in te dammen? Zo nee, waarom wordt in het huidige beleid dan wél vooral ingezet op bestrijding van muskusratten en in de nieuwe visie zelfs op volledige uitroeiing, als vanuit het HWBP hier geen specifieke aandacht voor is (met andere woorden, hoe groot is het veiligheidsrisico dat muskusratten met zich meebrengt dan precies)?

Antwoord:

Het HWBP is een programma waarin Rijk en waterschappen op nationaal niveau samenwerken om afgekeurde primaire keringen te versterken. Hierin wordt de urgentie van versterking vastgesteld, en wordt doelmatige besteding van de gelden die hiervoor beschikbaar gesteld worden vooraf getoetst. Er is geen relatie met muskusrattenbeheer omdat graverij van muskusratten valt onder regulier beheer en onderhoud van de keringen, en niet tot de sterkte parameters behoort waarop getoetst wordt.

Rijnland heeft per 1-1-2017 nog 48 kilometer primaire kering. Rijnland heeft ook ruim 1200km regionale keringen. Zonder bestrijding kunnen er grote schades ontstaan met dito gevolgen en daarvoor is de zorgplicht in de Waterwet en Waterschapswet geregeld.

In 2006 is al geconcludeerd dat de veiligheid van een dijk door graverij afneemt met een factor 2 tot 10. (hij kan simpel gezegd niet de waterstand keren die hij hoort te kunnen keren; bijvoorbeeld niet meer de hoogwaterstand die eens in 500 jaar voorkomt maar een minder extreme hoogwaterstand die gemiddeld eens in de 250 of 50 jaar kan voorkomen).

Aanvullende vraag 2

Reeds lange tijd wordt gesproken over een diervriendelijk alternatief van de muskusrattenbestrijding. Wat maakt dat bij het ontwerpen van het HWBP geen werk met werk gemaakt kon worden door wapeningsgaas aan te brengen op kwetsbare keringen?

Op hoeveel en welke locaties (dijken, kaden, kunstwerken, et cetera) en op welke wijze wordt door Waterschap Rijnland uitvoering gegeven aan Waterwet Artikel 3.2a “Het waterschap draagt zo goed mogelijk zorg voor het voorkomen van schade aan waterstaatswerken veroorzaakt door muskus- en beverratten” anders dan door het doden van muskusratten? Zijn er bijvoorbeeld locaties voorzien van preventieve maatregelen of objectbescherming en zo ja welke?

Antwoord:

In polder Oudendijk is door Rijnland een proef uitgevoerd om te kijken in welke mate het technisch mogelijk is om graafwerende maatregelen mee te laten koppelen met een dijkversterking. Dit gaat om 3 proefvakken van elk circa 100 meter. Hierover is de VV in 2015 geïnformeerd: de proef heeft vanwege de beperkte schaalgrootte en beperkte scope geen antwoorden opgeleverd over een groter toepassingsbereik. Het initiatief voor opzetten van verder en grootschaliger onderzoek ligt bij de commissie MRB van de UvW.

Verder zijn er geen preventieve maatregelen getroffen om (bewust) muskusratten te weren uit waterstaatswerken.

Aanvullende vraag 3

Kunt u uitleggen waarom Rijnland een proef uitvoert en daar vervolgens geen enkele actie aan verbindt? Is het mogelijk dat Rijnland aan de UvW voorstelt om een grootschaliger proef uit te voeren met een groter toepassingsbereik? Zo nee, waarom niet? Kunt u tevens uitleggen waarom het initiatief voor het opzetten van grootschaliger en verder onderzoek bij de UvW ligt?

Vraag 10:

Is het DB het met onze fractie eens dat dit tot een tunnelvisie leidt en daarmee andere resultaten van de Veldproef uitsluit, mede aangezien de nieuwe visie voor de periode 2017- 2020 zou gaan gelden, terwijl de complete resultaten van Veldproef in 2018 verwacht worden? Zo nee, waarom niet? Graag een onderbouwd antwoord.

Antwoord:

Er is volgens het college zeker geen sprake van tunnelvisie: Er wordt nadrukkelijk gesproken over verkenning van “complete removal”, en niet de uitvoering daarvan.

Wat wij met deze visie voorstaan is voorzetting van de huidige bestrijding (met zoveel mogelijk dierenleed beperken, ruimte voor innovatie, en inzet op kwaliteit van de medewerker). In dat opzicht is er geen wezenlijke aanpassing van de strategie, maar is het nog steeds het “onder controle houden”. Dit is ook in lijn met wat de commissie MRB concludeert  bij de veldproef, namelijk dat “de bestaande strategie van landsdekkend en jaarrond bestrijding gehandhaafd moet worden en dat die inzet bijdraagt om uiteindelijk elke bestrijdingsstrategie te kunnen kiezen”. 

De aanbeveling die u aanhaalt gaat over grote koerswijzigingen die nu afgeraden worden (dus nu al keuze voor bv objectbestrijding of “complete removal”). Die keuze maken wij dus nu zeker niet, maar we willen wel “complete removal” verder verkennen.

Op pagina 8 van de visie is expliciet aangeven dat de definitieve resultaten van de veldproef aanleiding kunnen zijn om de strategie en visie aan te passen.

Aanvullende vraag 4

U stelt in bovenstaande stuk:

“Wat wij met deze visie voorstaan is voorzetting van de huidige bestrijding (met zoveel mogelijk dierenleed beperken, ruimte voor innovatie […]”

Welk plan van aanpak heeft het DB om het dierenleed zoveel als mogelijk te beperken? Graag zou de fractie PvdD zien dat innovatie de ruimte krijgt. Hoe geeft het DB die innovatie de ruimte? Zijn daar inmiddels ideeën over?

Uit de evaluatie van de lopende samenwerkingsovereenkomst blijkt dat zowel vangsten als schades geregistreerd worden, waarbij gesteld wordt dat “schade exacter en op x,y coördinaten geregistreerd” worden. In de evaluatie staan echter alleen cijfers over vangsten, maar geen cijfers over schade. Hoeveel schade gevallen zijn er gedurende de looptijd van de huidige samenwerking geregistreerd, binnen Rijnland gebied, en binnen het gehele beheergebied van het samenwerkingsverband? En tot welke kosten heeft dit geleid om deze schades

a) te laten repareren op kosten van Rijnland, dan wel

b) te compenseren aan derden (graag separaat benoemen)?

Antwoord:

In de evaluaties (en jaarverslagen) is aangegeven dat er gedurende de looptijd overgestapt is op een andere manier van schaderegistratie. Vanaf 2014 wordt gewerkt met het huidige systeem en wordt via de app de registratie afgehandeld.

Er zijn nog geen exacte getallen voorhanden (er staan in Rijnland enkele duizenden vangmiddelen opgesteld bij de schadelocaties), maar die zijn opgevraagd bij MRB en zullen nog met u gedeeld worden.

Deze getallen geven een minimum aan schades: schade worden niet alleen door MRB gemeld, maar ook door eigen beheerders. Daarnaast zijn niet alle schades (meer) te herleiden tot muskusrattengraverij.

 

Deze onderhoudskosten (voor herstel) van keringen bedragen voor Rijnland jaarlijks tussen de 3 a 400.000,- euro. Bij HDSR is dat vergelijkbaar.

Aanvullende vraag 5

Herstel van keringen is minder kostbaar dan muskusrattenbestrijding. Is het niet mogelijk om dat systeem te hanteren? Zo nee, waarom niet?

Hoe kan het dat de schades niet goed bijgehouden worden? U stelt dat zelfs niet eens te herleiden is of de schade al dan niet door muskusratten is ontstaan. Het lijkt mij noodzaak om eerst zeker te stellen hoeveel schade muskusratten überhaupt veroorzaken, voordat drastische maatregelen genomen worden zoals het verdrinken van de dieren.

Om wat voor soort schades ging het? En waren er gevallen van schade bij waarbij de veiligheid van mensen of dieren in gevaar kwam, en zo ja, in welke mate? En waren er schades bij die tot een doorbraak van een primaire of secundaire waterkering hadden kunnen leiden?

Antwoord:

Het betreft een breed scala van graafschades; zoals ook in de veldproef aangegeven bestaan er grote en kleine schades, en zijn die in meer of minder mate hinderlijk voor een goed gebruik van het object waarin ze zich bevinden. Risico’s voor mens en dier zijn altijd aanwezig: het gaat immers om kuilen, graafgangen, verzakkingen, waarvan een deel pas zich openbaart als ze belast (betreden/bereden) worden. Zoals u ook in  de tussenrapportage van de veldproef kunt zien (bv de foto op pagina VI van de samenvatting) kunnen de graafschades aanzienlijk omvang hebben; zeker in regionale keringen met beperkte kruinbreedtes is dat altijd een extra risico.

Aanvullende vraag 6

Wat u hierboven beschrijft zijn schades aan slootjes e.d. U noemt het hinderlijke schade, maar is het bij hinderlijke schade noodzakelijk dat daar dieren voor gedood dienen te worden? Welk risico voor mens en dier bedoelt u met bovenstaande?

Vraag 16:

In deel 1 van de tussenrapportage wordt op pagina 35 ingegaan op de schade die de muskusratten veroorzaken. De tussenrapportage meldt dat schades doorgaans gering zijn en komt ook nog met een interessante hypothese namelijk dat schades pas echt schades gaan worden als de burchten worden verlaten en niet meer onderhouden worden door de muskusrat. Verder wordt uit de veldproef duidelijk dat de schades waarschijnlijk veel vaker onopgemerkt blijven dan tot dusverre werd aangenomen. Dat kan vanuit veiligheidsoogpunt alarmerend zijn maar rechtvaardigt tevens de vraag waar doen we het dan voor en loont het vanuit veiligheidsoverwegingen niet meer de moeite ons in te spannen om de schades op te sporen en te herstellen? Dat brengt me bij de vraag: is het binnen Rijnland bekend wat op jaarbasis wordt uitgegeven aan het herstellen van de schade die door muskusratten wordt veroorzaakt? Wij zijn benieuwd hoe zich dat verhoudt tot de jaarlijkse som van 500.000,- euro die de bestrijding ons kost.

Antwoord:

De bijdrage van Rijnland aan muskusrattenbestrijding bedraagt in 2017 €2.076.852, Voor onderhoud aan de keringen staat jaarlijks een bedrag van € 300.000,- a 400.000,- begroot.

Van bovenstaande jaarlijkse bijdrage ten behoeve MRB wordt het hele vangstproces georganiseerd: niet alleen het vangen maar juist het tijdrovende opsporen van schades: de vangmiddelen worden immers juist daar ingezet. Deze inspectiewerkzaamheden zullen altijd uitgevoerd moeten worden. De uren van eigen medewerkers die in de inspectie en onderhoud van de keringen zitten, zijn niet opgenomen in het onderhoudsbudget.

De veldproef geeft ook aan dat er vooralsnog geen geschikte methoden zijn om de “onopgemerkte” schades eenvoudig op te sporen (d.m.v. technische middelen).

Aanvullende vraag 7

Is het DB bereid om bijvoorbeeld een technische universiteit te vragen een drone te ontwerpen die schades opspoort? Of een ander innovatief idee? Het DB heeft immers aangegeven open te staan voor innovatie in dezen.

Veel jongen (tussen de tachtig en negentig procent) redden de eerste winter niet. Het zijn juist deze jongen die gevangen (lees: verdronken) worden. Deze jongen zouden dus anders op een andere manier de dood vinden c.q. hebben gevonden. Bestrijding van deze dieren is mijns inziens dan ook zinloos. Hoe is het mogelijk dat in de hele visie niets terug te lezen is over preventieve maatregelen ter voorkoming van graverij. Waar zijn de innovatieve ideeën. Er zijn zenders aangebracht op muskusratten. Is het dan niet mogelijk de vrouwtjes te vangen en deze immunocontraceptie toe te dienen? Preventieve maatregelen die niet of beperkt aanwezig waren of bekend zijn in Nederland zijn mijns inziens geen excuus.

Antwoord:

Op pagina 8 van de visie wordt kort ingegaan op de (on)mogelijkheden van preventieve maatregelen: deze zijn landelijk onderzocht maar vooralsnog zijn er geen geschikte en acceptabel preventieve maatregelen bekend zijn. Als die zich wel aandienen dan zullen die natuurlijk overwogen worden zoals aangegeven in de sideletter van ons coalitieakkoord.

Aanvullende vraag 8

Mijns inziens zullen preventieve maatregelen uit zichzelf niet aandienen. Ook hier stel ik weer de vraag of het DB zich wil inspannen of deze onderzocht kunnen worden.

Vraag 19:

Op blz 51 van de tussenrapportage staat zoals gezegd dat de omvang van de zichtbare schades veelal gering is. Met regulier onderhoud worden schades soms weer hersteld of onvindbaar. Een vraag in relatie tot de economische consequenties is dus hoeveel vaker extra onderhoud noodzakelijk is als de muskusrat niet meer bestreden zou worden.

Antwoord:

In de tussenrapportage van de landelijke veldproef wordt dezelfde vraag geopperd als handvat voor vervolgonderzoek,  alhoewel niet in de context van niet-meer-bestrijden.  Reden dat die vraag daar gesteld wordt is dat er met alle verzamelde kennis in de landelijke veldproef geen antwoord op te geven valt. 

Het college kan hier dus ook geen concrete uitspraak over doen.

Aanvullende vraag 9

Hoe kan het dat hier geen antwoord op te geven valt? Wat is de reden daarvan?

Finland is qua waterbeheer absoluut niet vergelijkbaar met Nederland. Er zijn geen onder de zeespiegel gelegen delen met miljarden aan investeringen daarin die beschermd worden door vele honderden kilometers kwetsbare waterkeringen. Zij zullen graverij dus niet op dezelfde manier ervaren als wij.

Aanvullende vraag 10

Maar zij zouden wel hun informatie met ons kunnen delen wat er gebeurt áls niet bestreden wordt. Is het DB bereid deze informatie op te vragen? Zo nee, waarom niet?

Antwoorden

Datum vraag
30 augustus 2017
Onderwerp
aanvullende vragen Visie Muskusrattenbeheer
Datum beantwoording
1 november 2017
Indienend VV-lid
mw Bleyie
Bron
e-mail
Portefeuillehouder
M. Kastelein
Corsanummer
17.097188
Context
Door mw Bleyie (Partij voor de Dieren) zijn in juni bestuursvragen gesteld over de Visie Muskusrattenbeheer. De beantwoording daarvan is vastgelegd in het document met kenmerk 17.054082.
Naar aanleiding van deze beantwoording stelt mw Bleyie de volgende (aanvullende) vragen;

Aanvullende vraag 1:
In uw eerdere beantwoording geeft u aan dat er in de afgelopen 40 jaar geen ongeplande dijkdoorbraken zijn geweest. Kunt u mij dan de noodzaak van de wrede muskusratten-bestrijding uitleggen? 30 tot 40 jaar geleden was de populatie muskusratten immers vele malen groter dan nu.

Antwoord 1:
Voorkoming van graafschade door muskusratten aan waterstaatswerken is wettelijk vastgelegd (sinds 2011 is dat belegd bij de waterschappen daarvoor bij de provincie). Reden hiervoor is omdat daarmee het risico op dijkdoorbraken vermindert. Dankzij muskusrattenbeheer, adequaat onderhoud en versterkingswerken zijn er geen doorbraken geweest; daar staan wij als Rijnland voor.
--
Aanvullende vraag 2
Reeds lange tijd wordt gesproken over een diervriendelijk alternatief voor de muskusrattenbestrijding. Wat maakt dat bij het HoogWater BeschermingsProgramma (HWBP) geen werk met werk gemaakt kon worden door wapeningsgaas aan te brengen op kwetsbare keringen?
Beantwoording bestuursvraag

Antwoord 2:
In onze eerdere beantwoording van juni gaven wij aan dat het HWBP simpelweg niet over beheersaspecten zoals muskusrattenbeheer/graafschade gaat; dat is een taak van de keringbeheerder zelf.
Ook gaven wij aan dat de taak van het HWBP beperkt is tot primaire keringen, waar wij er maar weinig van hebben. Het staat de waterkering beheerder echter vrij om zelf maatregelen uit te voeren (en te financieren). Dat kan natuurlijk ook gelijk opgaan met een versterkingswerk als daar een kwetsbare plek is.
In ons beheergebied zijn de meest kwetsbare keringen echter de regionale keringen waar wij er veel van hebben; Hier voeren wij ook de meeste dijkversterkingen uit. Maar aangezien dit regionale keringen zijn staat het HWBP hier geheel buiten.
--
Aanvullende vraag 3
U geeft aan dat in 2006 al is geconcludeerd dat de veiligheid van een dijk door graverij afneemt. Kunt u mij laten weten uit welke bron deze informatie komt?
Antwoord 3:
Ja, dat is het rapport “gevolgen van graverij door muskusratten beverratten voor de veiligheid van waterkeringen”, opgesteld in opdracht van de Landelijk Coördinatie Commissie Muskusrattenbestrijding (LCCM).
U kunt het rapport lezen via onderstaande link:
https://muskusrattenbestrijding.nl/wp-content/uploads/2016/10/Gevolgen-voor-waterkeringen-2006.pdf
--
Aanvullende vraag 4
Is het mogelijk dat Rijnland aan de UvW voorstelt om een grootschaliger proef uit te voeren met een groter toepassingsbereik? Zo nee, waarom niet? Kunt u tevens uitleggen waarom het initiatief voor het opzetten van grootschaliger en verder onderzoek bij de UvW ligt? Kunt u uitleggen waarom Rijnland een proef uitvoert die niet representatief is voor een groter toepassingsbereik?
Antwoord 4:
De VV is in 2014 reeds geïnformeerd over de proef, het toepassingsbereik en de vervolgstappen. Door de PvdD zijn naar aanleiding daarvan al bestuursvragen gesteld
Ik verwijs u voor antwoorden op uw vragen nogmaals naar die memo (kenmerk 14.48757), en beantwoording van die vragen (kenmerk 15.048199) (als bijlage nogmaals bijgesloten)
--
Aanvullende vraag 5
U stelt in uw beantwoording van juni dat ““Wat wij met deze visie voorstaan is voorzetting van de huidige bestrijding (met zoveel mogelijk dierenleed beperken, ruimte voor innovatie […]” Welk plan van aanpak heeft het DB om het dierenleed zoveel als mogelijk te beperken? Graag zou de fractie PvdD zien dat innovatie de ruimte krijgt. Hoe geeft het DB die innovatie de ruimte? Zijn daar inmiddels ideeën over? Welke beleidsindicatoren worden gehanteerd bij het innovatief zoeken naar diervriendelijke oplossingen?

Antwoord 5:
In de visie (en in onze beantwoording van de vorige bestuursvragen, en de toelichting in de commissie/VV) kunt u lezen hoe MRB het dierenleed zoveel mogelijk probeert te
beperken. Als indicator voor de vangstmiddelen gebruiken we hier het aantal bijvangsten voor, dwz andere dieren dan de doelsoort muskusratten die in de vangmiddelen aangetroffen worden. Bijvangsten worden voorkomen door aanpassingen (innovaties) aan de vangmiddelen (bijvoorbeeld otter-ringen). Dit soort innovaties komen vanuit de beheerorganisaties zelf. Innovatie is ook een onderdeel van de visie. De afgelopen jaren zijn al veel innovaties gedaan aan de vangstmiddelen om bv bovengenoemde bijvangst te voorkomen.
In de visie geven wij aan dat de nadruk bij innovaties de komende jaren ligt op het vlak van arbeidsomstandigheden. Concreet voorbeeld is E-DNA, dwz het opsporen van muskusratten via DNA in watermonsters, een innovatieve techniek, hiermee zijn inmiddels de eerste veldexperimenten gedaan.
U heeft aangegeven dat u graag ziet dat zoektocht naar (diervriendelijke) innovaties ook buiten de gebaande paden plaatsvindt (en dat u daarzelf ook al initiatieven voor ontwikkelt).
De huidige werkwijze is dat verschillende beheerorganisaties samen werken in de landelijke Adviesgroep Techniek en Tactiek (ATT). Serieuze ideeën en innovaties aangaande muskusrattenbeheer, zowel van de eigen organisaties als van daarbuiten, worden daar besproken en getoetst. Als deze positief ontvangen worden, dan worden die voorgelegd aan de landelijke werkgroep en (bestuurlijke) commissie.
Deze werkwijze past naar onze mening goed binnen de kaders van de visie, en is ook vastgelegd in de jaarplannen van de eigenbeheerorganisatie.
U kunt uw eigen initiatieven voorleggen (via de eigen beheersorganisatie) aan ATT.
--
Aanvullende vraag 6
Uit uw antwoord op onze vraag 19 (van juni) maak ik op dat herstel van keringen minder kostbaar is dan muskusrattenbestrijding. Is het niet mogelijk om dat systeem te hanteren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6:
In ons antwoord op vraag 16 (uit uw vorige bestuursvraag van juni) kunt u lezen dat de kosten niet zo tegen elkaar weg te strepen zijn; de kosten voor bestrijding omvatten ook het arbeidsintensieve inspecteren van de keringen en registreren van de schades. De conclusie dat grootschaliger herstel op voorhand goedkoper is dan bestrijden delen wij ook niet. Zonder bestrijding, zullen de schades (en beheerinspanningen en herstelkosten) aanzienlijk toenemen, en daarmee het risico op dijkdoorbraken ook. Daarom is het voorkomen van graafschade door muskusratten ook wettelijk vastgelegd.
--
Aanvullende vraag 7
In uw antwoord op vraag 13 noemt u schades aan slootjes e.d. U noemt het hinderlijke schade, maar is het bij hinderlijke schade noodzakelijk dat daar dieren voor gedood dienen te worden? Welk risico voor mens en dier bedoelt u met bovenstaande?

Antwoord 7:
Zoals bij vraag 1 in deze beantwoording reeds aangegeven is er een wettelijk plicht om graafschade te beperken. Wachten tot kleine schades verergeren past niet binnen die taakopvatting.
U kunt bij de risico die kleine schades met zich meebrengen bijvoorbeeld denken aan het kantelen van voertuigen met letsel tot gevolg, of het verzwikken/breken van ledematen van mens of dier (vee).

Aanvullende vraag 8
De visie benoemt specifiek dat de oplossingsrichting 'complete removal' als enige verder onderzocht gaat worden, zonder de andere mogelijke oplossingsrichtingen ook mee te nemen. Dan kun je het wel geen tunnelvisie noemen, maar als je maar één richting gaat onderzoeken dan heeft het daar toch veel van weg.

Antwoord 8:
De oplossingsrichting 'complete removal' is naar onze mening een kansrijke strategie die voor delen van ons beheergebied zeker een reële oplossing kan vormen. Dat willen wij zoals aangegeven daarom nu graag onderzocht hebben.
--
Aanvullende vraag 9
In uw antwoord op onze vraag 17 (van juni) geeft u over preventieve maatregelen aan dat “deze zijn onderzocht maar er zijn vooralsnog geen geschikte en acceptabel preventieve maatregelen bekend. Als die zich wel aandienen dan zullen die natuurlijk overwogen worden zoals aangegeven in de sideletter van ons coalitieakkoord.”
Mijns inziens zullen preventieve maatregelen uit zichzelf niet aandienen. Ook hier stel ik weer de vraag of het DB zich wil inspannen of deze onderzocht kunnen worden?

Antwoord 9:
Het DB heeft zoals u weet de pilot Oudendijk gedaan (zie ook uw vraag 3). De conclusies die daar destijds aan verbonden zijn, zijn duidelijk: het initiatief voor vervolgonderzoek is bij de landelijke platforms neergelegd. Dat heeft tot heden niet geleid tot vervolgonderzoek. Voor andere innovaties staan wij open, maar innovatie is een proces dat zich niet laat afdwingen.
--
Aanvullende vraag 10
In uw antwoord op onze vraag 19 (van juni) geeft u over de economische consequenties van niet-bestrijden aan dat er met alle verzamelde kennis in de landelijke veldproef geen antwoord op te geven valt.
Hoe kan het dat hier geen antwoord op te geven valt? Wat is de reden daarvan?

Antwoord 10:
De wetenschappers kunnen zoals aangegeven op basis van de beschikbare gegevens geen eenduidig, statistisch verantwoord antwoord geven. Er zijn onvoldoende gegevens voor handen en er moeten te veel (niet-onderbouwde) aannames gedaan worden.
--
Aanvullende vraag 11
In uw antwoord op onze vraag 20 (van juni) geeft u aan dat” Finland qua waterbeheer absoluut niet vergelijkbaar met Nederland is …. Zij zullen graverij dus niet op dezelfde manier ervaren als wij”.
Maar zij zouden wel hun informatie met ons kunnen delen wat er gebeurt áls niet bestreden wordt. Is het DB bereid deze informatie op te vragen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 11
In de tussentijdse rapportage van de landelijke Veldproef wordt reeds aandacht besteed aan de situatie/ontwikkelingen in de andere landen (waaronder Finland). Vanuit publicaties is er al e.e.a. bekend over de situatie aldaar. Dit is vanuit
onderzoeksperspectief/ vergelijkingsmateriaal interessant, maar met die informatie valt geen vertaling naar de Rijnlandse situatie te maken omdat het hele watersysteem en waterbeheer niet vergelijkbaar is met de situatie hier.