Zonder verleden geen toekomst; trend­analyse meet­netten Rijnland


1 maart 2012

Analyse van het rapport ‘Trendanalyse meetnetten Hoogheemraadschap van Rijnland’.

Inleiding
In november 2009 vroeg de Partij voor de Dieren om een trendanalyse van de waterkwaliteit. Het bestuur van Rijnland stemde daarin toe. In Februari 2012 kwam het rapport gereed. Een uiterst gedegen rapport, met een zeer goede analyse van alle verzamelde meetgegevens vanaf 1985 tot 2010. Rijnland vermeldt in de samenvatting voor de Verenigde Vergadering expliciet dat ons verzoek aanleiding geweest is om het onderzoek uit te voeren, deze vermelding stelt de fractie van de Partij voor de Dieren zeer op prijs.

Resultaten
De belangrijkste resultaten zijn reeds samengevat in het Nieuwsbericht, maar worden voor de volledigheid hier herhaald.
Fysische chemie: significante verbeteringen over de gehele periode, echter na 2002 afvlakking of zelfs omkering van de trend, en dat is zorgelijk. Ondanks de verbeteringen voldoet een groot aantal wateren niet aan de normen.
Biologie: voor de meeste meetreeksen zijn geen significante trends aan te tonen, dit ondanks de verbeteringen in de chemische toestand. Ecologische reacties op veranderingen in chemische toestand vertonen in het water vaak enige vertraging.
Gewasbeschermingsmiddelen: slechts een beperkt meetnet voor trendanalyse, alleen Boskoop en de Bollenstreek werden geanalyseerd. Significante daling van de concentraties, al moet erbij gezegd worden dat wanneer een middel is verboden er een (tijdelijke?) opkomst is van andere middelen. Incidenteel nog hoge concentraties. De stijging van imidacloprid baart zorgen.
Afvalwaterketen: de trendanalyse voor het gezuiverde afvalwater laat een zeer positief beeld zien. Vooral fosfor, stikstof en het chemisch zuurstofverbruik daalden aanmerkelijk. Alle doelen werden ruimschoots gehaald.
Evaluatie meetnetten: het rapport geeft een heldere analyse van de meetnetten zoals ze in de afgelopen periode hebben gefunctioneerd en geeft goede aanbevelingen om te komen tot optimalisatie.
Minpuntje: het rapport meldt dat de verbeteringen in de chemische toestand o.a. veroorzaakt worden door het landelijk mestbeleid. Op landelijk niveau is het onjuist. Ik kom daar hieronder op terug.

Nadere analyse van het minpuntje
Natuurlijk blijven er, ondanks het uitstekende rapport vragen en opmerkingen over. Het bestuur van Rijnland heeft de Partij voor de Dieren fractie gevraagd dat te analyseren. Dat hebben we gedaan (wordt hier niet weergegeven, toch meer iets voor de projectleiding).

Het rapport geeft een uitgebreide en gedegen analyse van de trends, weergegeven in heldere grafieken en goed samengevat. Het minpuntje volgens ons verdient nadere analyse. Er wordt geconcludeerd dat het landelijk mestbeleid zo’n goede invloed heeft gehad op het oppervlaktewater, onder verwijzing naar het Emissiebeheerplan. Daar willen we nader op ingaan. We maken daarbij gebruik van links naar internetsites om het verhaal niet te groot te doen worden.

p. 28
Citaat: ‘Voor wat betreft de eutrofiërende stoffen zijn de emissies naar het oppervlaktewater sterk afgenomen door het mestbeleid en het stopzetten van het gebruik van fosforhoudende wasmiddelen. Verder zijn de verwijderingsrendementen van de awzi’s voor deze stoffen in de periode 1985-2010 sterk verbeterd.’ Einde citaat.

Rijnland had de laatste conclusie best voorop mogen zetten en vet gedrukt, dat is duidelijk aangetoond in het rapport. En ook het convenant met de industrie om geen fosforhoudende wasmiddelen meer te produceren heeft zeker het beoogde effect gehad. Dat het mestbeleid veel invloed gehad heeft op de fosfaat concentratie van het Nederlandse oppervlaktewater mag best worden betwijfeld. Een analyse door de fractie van de Partij voor de Dieren is uitgevoerd met gegevens van het Planbureau voor de Leefomgeving, om precies te zijn het Compendium voor de Leefomgeving. We beperken ons tot fosfor, tenslotte de belangrijkste limiterende stof voor de algengroei in het zoete oppervlaktewater. Fosfor is de grote motor achter de eutrofiëringsverschijnselen in het zoete oppervlaktewater van de gematigde klimaatzone. Stikstof is vooral belangrijk om algengroei in het mariene milieu en in warmere klimaatzones te beperken. Voor o.a. hogere waterplanten in het zoete oppervlaktewater is stikstof wel belangrijk..

De industrie is wat betreft fosfor vrijwel volledig gesaneerd, de kunstmestindustrie verdween zelfs uit Nederland. Van 11000 ton in 1990 daalden de emissies naar 227 ton in 2009, een reductie van 98%. Een prestatie van de eerste orde.

De belasting van het oppervlaktewater vanuit riolering en waterzuivering bedroeg in 1990 6580 ton en was in 2009 2370 ton, een reductie van 64%. De doelstelling van het Rijn Actie Plan, een reductie tussen 1985 en 1995 van 75% is ruimschoots gehaald, al is dat niet in de grafiek is af te lezen.

Vanaf 1985 is er mestregelgeving in allerlei vormen geweest, een van de hoofddoelstellingen daarvan was een verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Mestregelgeving richtte zich o.a. op het verminderen van nutriënten in dierlijke mest en kunstmest en het verminderen van de hoeveelheid mest op het land. De hoeveelheid fosfor in dierlijke mest dat op het land werd gebracht daalde van 1986 tot 2009 van 113.000 ton tot 77.000 ton, een reductie van 32%; bij kunstmest was dat van 35.000 naar 4.000 ton, een reductie van 89%. De totale hoeveelheid dierlijke mest daalde in die periode van 94,6 miljard kilo naar 72,7 miljard kilo, een reductie van 23%. Hoewel alle verschillende mestregelgevingen en hun handhaving een grote operatie waren leidde het allemaal niet tot het doel waarvoor het, onder anderen, bestemd was; een vermindering van de oppervlaktewaterbelasting. Resultaten van de belasting van het oppervlaktewater door landbouw en natuur. Natuur is iets meer dan 10% van het totaal, terwijl dat ook deels komt van uit productie genomen landbouwgronden. Het beeld van de belasting is wat verstrooid, omdat verschillen in weerjaren grote invloed hebben op de uit- en afspoeling. De uit- en afspoeling varieert van 3700 plus of min 500 ton/jaar, maar een significante vermindering valt niet te detecteren. De volgende indicator geeft nog eens een overzicht van de belasting met vermestende stoffen door verschillende sectoren (standaard staat de grafiek op stikstof afgesteld, je moet dus nog even op fosfor klikken), ook hier is geen afname in de belasting door uit- en afspoeling waar te nemen, en wanneer de berekening wordt herhaald met een gemiddeld weerjaar is er zelfs voor fosfor een stijging van 3%. Daarnaast is er nog steeds (2009) een overschot aan fosfor , 14 miljoen kg/jaar in 2009 (1970 was 85 miljoen kg/jaar), alleen de vermeerdering is vermindert.

NOOT: Op het Emissie Symposium 15 maart 2012 werd gemeld dat de nieuwste berekeningen met STONE 2.4, dat beter rekening hield met directe afspoeling, een hogere belasting berekende dan vorige versies. Gemiddeld houdt dat in dat de fosforbelasting door uit- en afspoeling 22% hoger dan voorheen berekend, voor stikstof is dat 10%. De volledige cijfers zullen vermeld worden in de Evaluatie van het Mestbeleid van het PBL (verwacht juni 2012)

Er van uitgaand dat het in Rijnland niet veel anders is dan gemiddeld over Nederland lijkt de verbetering in de fosforconcentratie gecorreleerd aan de vermindering van de emissie uit industrie, awzi’s en rioleringen (enige andere kleinere bronnen zijn buiten beschouwing gelaten). Die vermindering was al voor 2002 grotendeels bewerkstelligd. Het achterblijven van een verdere verbetering na 2002 lijkt gecorreleerd aan het achterblijven van een vermindering van de uit- en afspoeling.

Jammer dat het rapport daar geen aandacht aan heeft besteed. Maar de conclusie dat de emissies naar het oppervlaktewater sterk zijn afgenomen door onder meer het mestbeleid is niet aangetoond en aanvechtbaar. Vlekje op zo'n uitmuntend rapport.

Wij hebben ons beperkt tot een analyse van de cijfers. Geen ‘factfree politics’. Zeker is het niet onze bedoeling om de landbouw de schuld te geven. Dat er een systeem is ontstaan, dat leidde tot de vervuilende landbouw en veeteelt waar we nu mee te maken hebben, is een collectieve verantwoordelijkheid, liever gezegd een collectief falen, van een groot aantal sectoren: banken, politiek, overheid, consumenten en producenten. In dat collectief moet ook de oplossing gezocht worden.

Immense hoeveelheden plantaardige koolhydraten en eiwitten (tarwe, soja, sojaschroot, etc.) worden geïmporteerd. Die worden met behulp van dieren omgezet in vlees en melkproducten, economisch waardevolle, maar weinig duurzame, exportproducten. Ongeveer 70% voeren we uit naar het buitenland. De mest houden we vrijwel volledig achter in hoeveelheden die het menselijk begrip te boven gaan. Om die hoeveelheid mest inzichtelijk te maken delen we de hoeveelheid die “aangewend” wordt door het aantal inwoners van Nederland; in 2009 was dat meer dan 4000 kg mest per persoon per jaar. En daarmee overbemesten we het land, waardoor de nutriënten uitspoelen naar het grond- en oppervlaktewater. Omdat dit al decennia (en in nog grotere jaarlijkse hoeveelheden) aan de gang was, is er een zodanige hoeveelheid opgeslagen in de bodem, wat zal leiden tot een groot aantal jaren uit- en afspoeling al zou er niets meer aan de bodem worden toegevoegd. Kortom er is een uiterst groot probleem geschapen dat alleen opgelost kan worden door gezamenlijke acties van alle mede verantwoordelijke groepen.

Samenvattend: Een werkelijk uitstekend rapport, een glasheldere analyse. We zullen er in de toekomst nog veel gebruik van kunnen maken. Rijnland heeft zich bij de afvalwaterzuivering van zijn beste kant laten zien. Dat leverde significante verbetering op van de chemische waterkwaliteit. De ecologie bleef hierbij (helaas) achter. De belasting via uit- en afspoeling is onderbelicht. Dat hebben we hiermee hopelijk enigszins aangevuld.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer